Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

july, STAAT EN OORLOG. 1785- 3™

lekeur van iemand, wie her. ook zyn mogt, onderworpen gemaakt, maar (tellig waren; en dat H. H. Mog., zonder het advi. der Officieren , daarby geconcerneerd, interoepen, veel min de executie derzelve orders daar aan te fubmitteeren , volftrekt niets anders, dan tegenwind, of onvoorziene toevallen, als redenen, om den Togt te ftaaken , hadden geadmitteerd.

Dat de ftaat der Victualie nu nimmer onder de termen van onvoorziene toevallen kon of vermogt te worden begreepen, als waar van zoo wel de Admiraliteits Collegien, als de Heer Admiraal Generaal , altyd volledig , en onder anderen nog in hei laatst van September waren onderricht, (Y) terwyl ook uit de Elucidatien van Zyne Hoogheid, den Heer Admiraal Generaal , op de door Heeren Gecommitteerden aan Hoogdenzelven gecommuniceerde Bedenkingen confteert, (d) dat reeds in eene Conferentie , den 22 September gehouden, de zwaarigheid, dat de Scheepen maar tot ultimo October voorzien waren, geopperd was.

En wyders (e) dat de tyd, tot welken de Scheepen voorzien waren , niet onbekend geweest was aan die geenen , welken , zoo by Hun Hoog Mog. , als in de Admiraliteits Beibgr.es, het beleid der deliberatien over de Memorie van den Heer Ambasfadeur van Frankryk hadden gehad.

Dat daarom Heeren Gecommitteerden , ook zelfs voor de op.^aave der laatfte byzonderheden, niet hadden nagelaaten , de Commandanten en verdere Officieren ten duidelykften onder het oog te brengen Cf) dat zy de lhuatie

der

(c) Verhoor V. A. Hartfinck No. 6. Artl 5. en

vergel. No. 12. Art. 6. No. 13. Art. 1 en 2.

(d) Antwoord vau Z. H- op de 4 Bedenking.

(e) Antwaord van Z. H. op da 6 Bedenking. CO Verhoor V. A. Hartfinck No. 14. Art. 1. No.

*5«

Sluiten