Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68 jan, ZAAKEN VAN J786.

Placaaten van 3 January 1703, 18 January 1704., en 8 January 1705, was gèligt en daar uttgelaaieu. Hier op volgde nog in dat zelfde iaar eene Misfive van zyne Majefteit den Koning van Pruisfen aan hun Edele Gr. Mog. geaddresfeert, zig gevoelig toonende over de Procedures van Arrest en Gyzeling op eenige der voorfz. Goederen , en tegens de Bewoonders derzelve, ter 2aake van de agterfhifige Verpondingen geëntameert , het bovengemelde voorregt mede in qualiteit als Descendent van Prins Willem den I. inroepende.

Die Misfive op den n December van bet voorfz. jaar 1705 by hun Edele Gr. Mog. ontvangen zynde, vonden hoogstdezèlve goed, om

In confideratie, dat dit zelfde verzoek by de Pr in cesfe Douariere van Nasfau in dezelve qualiteit gedaan, was gedeclineert, en dat in deeze dezelfde reedenen waren militeerende. Aan een Cpmmisforiaal Befogne te de' mandeeren, hoedanig en in wat voege de gemelde Misfive op de vonrfz. gronden zoude behooren te werden beantwoord ; en het was op den 18 Maart van het volgend jaar, dat, conform het Rapport der Heeren Gecommitteerdens , die Misfive, sis mede de nadere Memoden van den Heer Envoyé van zyne Majefteit geëxamineert hebbende, een zeer ampele en uitvoerige Refcriptie aan hoogstgedagte Koning wierd gearresteert.

By dat antwoord wierden eenige refkctien gepraeroitteert, ten deele gegrond op de hooge nood, waar in de Financien van den Staat in het generaal en van deeze Provincie in het byzonder, door de

zwaa-

Sluiten