Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144 april , ZAAKEN VAN

ï?8ö.

alle gezag over de Militie zig, uit den aart der zaake zelve, in twee deelen verdeelt, te weeten, in een wetgeevend en in een uitvoerend gezag.

Dat het eerfie, te weeten het wetgeevend gedeelte zodanig esfentieel aan en coh aarent met de opperheer fchappy , of Souverainiteit is, dat het van dezelve geheel en al onaffcheidelyk en onvervreemdbaar is.

Dat dit wetgeevend gedeelte van het gezag over de Militie aan de Staaten van Holland en Westvriesland , als de onbetwistbaare Sou» verain van den Lande , even zoo zeer, in deszelfs volle uitgebreidheid, toekomt, als immer te vooren in Stadhouderlooze tyden ; in zoo verre zelfs, dat het tegendeel te beweeren , of eenige vermindering aan dat wetgeevend gezag te willen toebrengen , naar het oordeel van Burgemeefteren en Vroedfchappen , geen geringe misdaad tegen den Staat zelve involveeren zoude. Dat de aart, wezen en esfentie van bet uitroerend gedeel* te van het zelve, daar en tegen, ondergefchiktheid en afhankelykheid noodzakelyk onderdek, en zekere graad van meededeelbaarheid gedoogd: naardien het uit het wetgeevend gezag voortvloeit, en overzulks , buiten eenige tegenfpraak , gehouden en Verpligt is, de ordres , naar welke de wetgeevende magt de dadelyke uitvoering haarer beveelen begeert ter uitvoer gebragt te hebben , met den gepas-

Sluiten