Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nov. STAAT EN OORLOG. 1786. 345

Dan, Edele Groot Mog. Heeren, den nood dringt ons, wy zyn gefcheiden van onze Bezittingen, veelal berooft van alle Middelen van Beftaan ; men hond met geweld onze wettige Eigendommen aan; de Soldaat leeft op discretie in onze Huizen, teert onzen hoognodigen Wintervoorraad op, zelfs zonder noemenswaardige betaling, en die, namens ons, by de overgeblevene Regenten inftantien doen om eens eindelyk van die ichadelyke Gasten ontflagen te worden, zyn verachtelyk weggezonden, en dus brengt men veelen onzer, onze Echtgenoten en Kinderen in de fchromelykfte omftandigheeden.

Wy wenden ons daarom by herhaling op *t eerbiedigst tot U Edele Groot Mog. onze getrouwe , onze beproefde Bondgenooten , zo volvaardig gereed , zo vol yverig , wen 't gemeen belang, 't belang van 't Bondgenootschap, en waarom ook niet van Steeden en Leeden, die in hunnen kring de1 gemeene zaak hebben getragt nuttig te zyn, dog 'er de noodlottige flagtoffers van wierden, om hulpe roept: wy wenden ons tot U Edele Groot Mog. die ons zo grootmoedig In der. zeiver befcherming naamen, en fmeeken met dien aandrang, die 't gewigt der zake vop dert,

Dat U Edele Groot Mog. als nu in deezen presfanten nood, zodanige ef. ficacieufe middelen gelieven daar te Hellen, als naar derzelver hooge wysheid en bekende Vaderlandsliefde best gefchikt zullen bevonden worden, om ons dadelyk de toegezegde protectie en effea der Unie , welke U Edele Groot Mog. zo edelmoedig verklaart hebben tot derzelver laatften adem toe, ook ten onzen opzigte, te zullen Q 3 main»

Sluiten