Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mey. STAAT EN OORLOG, 1787. 159

Dat ook hier door den Schipper, Voerman, Ambagtsman en andere, die zo door de Fabriquen der Laakenen en Wolle Manufadtuuren, en kaade werken , door laaden en losfen der Scheepen en Karren, een ordentelyk beftaan hadden, zodanig zelfs, dat voor die Ampten, wanneer zy publicq ten profyte van de Stad zyn verkogt, meer door de Ingezetenen gebooden wierd, dan zy by de taxatielyst der Ampten, waren getaxeerd , en dus een merkelyk voordeel aan de Stad aanbragten.

Dat al mede niet ontkend kan worden, dat ten tyde de gemelde Privilegiën by de Magiftraat van Breda nog wierden gemaintineerd, niet minder ook de Comptoiren van de Convoyen en Licenten, en van den Land- en Water-Tol een merkelyk voordeel gaven , en derzelver Amptenaaren daar door ook een beter beRaan hadden.

Dat intusfchen door het verwaarlozen van die, en andere Privilégiën ten klaarflen te zien en na te gaan is, dat deze te voren zo fiorifante Stad, dagelyks al verder naar zyn ondergang heen fpoedt , door dien daar in de Commercie en Navigatie merkelyk begint te verminderen.

Dat hier door dan ook notoir moeten verminderen de Stads inkomsten, die ook door het verwaarlozen der Privilegiën gelegenheid gegeven hebben, dat de goede Burgery belafst is geworden met belastingen, die zy niet hadde behooren te dragen, als" daar zyn het Straat-Geid , het Brand- Emmer- en Lantaarn-Geld , het invoeren van Verponding op de Huizen, het Ryksdaalder Geld, de belegde belasting op de Doodkisten, en andere, alle welke belastingen de Tien Raaden, als de Geconftitueerdens der Burgery, en de toezienders, dat de Burgery met geene belastingen belast wierd in prejudicie der Privi. legien (lub No. 14, 32 en 48 in de Bylagen van de Befchryving van Breda te vinden) hadden behoren tegen te fpreken, en de Gildens daar op ten minfte te doen hooren, tot het heffen vau welke lasten zy

by continuatie hebben geconfenteerd Dac de

Magiflra^t daar toe Oéiroyen heeft gevraagd aan de

Hea«

Sluiten