Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Treurgezang. 153

^ Eerwaarde Ervarenis, die ons op weg verbeide,

,, En wonderen vertelde, Lonkte ons noch vriendelyk toe; als eene groote fchaar,

„ Met ysfelyk misbaar, De wapenkreet verhief, en driest kwam aangevloogen, En, met verwilderde oogen, >, Fluks toegefchooten , ons in harde kluisters Jloeg 3

„ En helfchen fchrik aanjoeg. Zoofprak de fVysheid: en ek Deugd herhaalde 't zuchten ,

Om alP die ongenuchten, Om all' die lethels, die haar fiuitten, op het pad,

IVaar Salems glorie-fiad. Jk beefde: .-en myn geihoed zjvol op van my meringen •>

Die 'k waagen z^al te gingen, Vin mymeringen, die de gryre Ervarenheid

iMy inblaast , nu zj fchreit. fVdnt iederfnik, voorwaar ! die'afbreektonder'tweenen,

En elke z^ucht in 't fteenen, Vzrfchaft my nieuwe ftof voor H ficepend Treurgezang.

En rekt myn* toonen lang. Neen.' 'k heb geen' Hippok reen, noch liefdedrank, van

nooden,

Hoe gul my aangebooden, Geen fchuimend druivenbloed: een enkle tranendrop

Beurt mynen luim in top.' Te fehreyen met de Deugd, u, fVysheid, t&beklaagen,

O.' dat 's myn grootst behagen.' Dat geeft verrukking, dat geeft aandrang aan myn flem,

En aan myn jammren klem.' Geen Attila, omftuwd met millioenen Hunnen,

Zou my dit kermen gunnen; ~ ~ Daar hy het Roomfche ryk verdelgt, te vuur, te ruwaard;

En Deugd, noch Wysheid, fpaart.

k 5 Maar

Sluiten