Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2o6 Katjang-thuinen.

gedogen, dat de Chineëzen, de Katjangthuinen naar hunnen fmaak verplaatfen, maar dezelve in tegendeel, door geduurige bemefting vruchtbaar houden: en dewyl men tot heden toe, het vellen van bamboes en boomen, met onverfchillige oogen aanziet , verbieden eenig hout of bamboes riet te kappen, zonder binne hunnen omtuiningen Calappa, Doerioms en andere vruchdragende boomen, aantekweeken, het welk hun terftont by hunne komst moet werden opgelegt, want op deeze wyze word, den Akkerman aan zyn grond verbonden, hy vindt by misgewasch nog eenig middel van beftaan, blyft verfchoont van, de moeite der verhuizing en raakt gewend aan de plaats en met de Javaanen, het welk tot zyn veiligheid (q) ten hoogften

no-

(9) Zeer groot is het aantal Chineëzen , het welk door de Javaanen, jaarlyks word om hals gebragt. De laatfte hebben eenen onverzoenlyken haat tegen de eerften, waar by nog komt de hoop van buit, dewyl de Chineëzen , zeer dikwils met geld naar boven gaan. De Wetgeevende Magt heeft hier tegen op allerlei wyzen tragten te voorzien, maar tot nog toe vruchteloos. Om deeze reden behoeft men nimmer te fchroomen , voor hun toenemend aantal in de Bovenlanden, dewyl zy hoe talryk, omtrent de Ja • vaanen in geene aanmerking komen en zelf zeer wel weeten ,

Sluiten