Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

478 De heesterachtïge Poelpalm.

twee reien van bladjes in dier voegen overhoeks geftelt, dat elk bladje digter ftaat by een bladje van de andere ry, als by een van die ry tof welke het zelfs behoord. Byde ryen der bladjes ftaan tegens malkaar gerigt, in een hoek die fpitzer is als een regte, en ieder bladje maakt mede een fpitfe hoek, met het naar boven loopende gedeelte van de bladfteel. Beneeden is deeze bladfteel 8 en meer daim dik, maar by het begin der bladjes valt hy plotfelyk af tot omtrent 3 duim, verdunnende zig daarop verders naar boven toe, daar hy een weinig terug gebogen is allengskens, tot hy zich eindelyk in de zenuwe van het laatfte bladje verliest. De holligheid der fcheede die de ftronk omgeeft , vervolgd met eene geutachtige.vóór, door welke de jonge fcheuten der nieuwe bladen voortkomen , in het ronde beneeden gedeelte van den bladfteel. De benedenfte bladjes zyn heel fmal en maar omtrent eene ipan lang: tegens het midden van dezelve worden de bladjes langer en brceder, en naar het einde toe neemt haare breedte en langte weder af, zynde de

groot-

Sluiten