Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christelyke Openbaaringe, enz. 199

En eindelyk, datwe ons, ter gehoorzaamheid van God, omtrent alle andere fchepfelen ook zoo moeten gedraagen; als met Gods wil overeenkoomt. Datwe ons, het zy van redelooze hetzy vanlevenlooze dingen, op eene Gode'betaamelyke wyze, moeten bedienen; zonder daar van eenig misbruik te maaken. Dat het fchepfel wel aan ons onderworpen is, om ons te dienen, tot hulp, voedfel, dekfel, en ■redelyk vermaak; maar dat het ons niet gegeeven is, tot overdaad, wreedheid, we lust ot andere oogmerken, die tegen Gods wil aanloopen. En datwe zorgen moeten, dat het, om onzen wil, niet zuchte, of tot Godroepe.

En dit alles eischt de natuurlyke Godsdienst van ons, in de uiterfte volkoomenheid!. zoo ten aanzien van de opgetelde plichten; als,ten aanzien van de duurzaamheid onzer yerphchtinge. Want God kan, als Heer, en Wetgeever , uit kracht zyner hoogfte volmaaktheid, van deezen eisch niet afftappen ; en de mensch blyft 'er, als een volftrekt afhangelyk ichepfel, voor eeuwig, aan verbonden.

En , fchoon de natuurlyke Godsdienst ons de allerverhevenfte gedagten , van Gods goedheid, genade, en barmhartigheid inboezemt, hy boezemt ons geen minder verhevene denkbeelden in van Gods wysheid, heiligheid, en gerechtigheid ! want de laatfte zyn aan een hoogst volmaakt Opperweezen even eigen, en noodzaakelyk, als de eerfte,

N 4 §* I<Jo»

Sluiten