Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274 Het Onderfcheidende Kenmerk van de

fingen, die vergeeving echter niet omringen, dan onder eene geduurige herinneringe: "Dat de fchuld nog daadelyk openftond , en nog, door den Mesfias, niet werkelyk voldaan was; want dit alles wierd, aan gansch Israël, in de dagelykfche offerhanden, geduurig vertoond, en als in eenen fpiegel, voor ogen, gefteld.

Dat de gaaven des Geeftes, over het algemeen genoomen, toen nog vry fpaarzaam wierden bedeeld. Want, fchoon 'er wel allerleie geeftelyke gaaven, in de Kerke Gods, gevonden wierden; het is egter, met dit alles, volkoomen zeker: Dat de kennis, heiligmaaking, troost, vreede, blydfchap, en diergelyke! ZOO overvloedig niet wierden bedeeld, als naaderhand; het geen alles daarvan daan kwam, omdat Jezus toen nog niet verheerlykt was.

Dat 'er toen nog een jok,'van allerleie Ceremoniën, en plegtigheden, op Israëls fchouderen rustte; het welk zoo hard, zwaar, en ondraagelyk was : Dat noch de Jooden van Jezus tyd, noch hunne Vaderen , hetzelve hadden konnen torsfen ; terwylze egter , door allerleie bedreigingen , en vloeken , van de Wet, daartoe, ten allerfterkften, verbonden waren.

Dat de geloovigen van dien tyd nog gefteld waren onder voogden, en verzorgers ; voor zoo ver de Openbaare Leeraars, op den ftoel van Mofes zittende, zwaare lasten aan de gemeente opleidden. En hier van daan kwam het: Dat de geloovigen van die daagen , hoewel kinders , en erfgenaamen zynde , weinig verfchilden van dienstknegten ; gelyk Paulus fpreekt. Om

Sluiten