Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 84 )

maaken. De Hr. J. C. kan de werken van den Pelagiaan Julianus naarzien. Hy k n, als het hem luffc, uit alle de H. H. Veders wel zo veel harde fpreekwyzen verzaameïen over vérfcheide Stoffen; zal hy da. r uit durven befmiten, dat de H. H. Vaders die dwaalingen geleerd en gehouden hebben, welke zómmïgen hen, om die harde fpreekwyzen hebben ten laffce gd id ? Dan is 'er geen Schryver in de wereld, aan welke men op die wyze geen dwaalingen zoude kunnen toefchryven. De H. Schriftuur zelfs zal 'er dan niet van bevryd zyn. Neen! om te bewyzen dat iemand eene kwaade leere leert en beweert, moet men zyne redeneeringen ten voorfchyn brengen; men moet zyne redeneeringen en zyn oogmerk doen zien, en uit het verband zyner redeneeringen , bewyzen dat zyne leere kwaad is. Zulks te wilien bewyzen uit hier of daar eene korte fpreuk, of uit he< 1 korte bewoordingen van andere afgetrokken, en mogeiyk nog niet eens getrouwelyk vertoont, is het werk of van onweetenden, of van bedriegers die eene kwaade zaak voor hebben of dryven.

Na zoo mooie vertooninge uit IX. Schriften, zonder onderfcheidinge, welke harde fpreuk of woorden van die, of die Schryver is, is hy ftoutmoedig gefcoèg om te vraagen : Zou het wel ooit mogeiyk kunnen wezen, dat een menfch, die hy zyne zinnen is, ontkende, Jat zy 'er ten minjien verdagt van waren? Namelyk , dat zy de F. Stellingen in hare eigen en natuurïyke zin uitdrukkelyk geleerd hebben? Ja, Myn Hr.! Ik onken het wel degelyk. Honderdemaalen is het gebeurd, en het gebeurd nog dagelyks, dat de dwaalgeeffen ee-

' nige

Sluiten