Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 186- )

re ik, en zoo moet my God helpen en deze „ zyne Heilige Evangeliën. " Dat is maar een Eed, in welken daad en regt te zamen vermengd zyn.

Dus is Myn Heers onderfcheiding tuflchen twee yerfcheiden Eeden hier eene onderfcheiding in de lugt, ten eenemaal onnut, en die geen plaats kan hebben omtrent het Formulier, zoo lang als die onderfcheiding daar niet word uitgedrukt. Wilt Myn Hr. zyne onderfcheidinge van Eeden gebruiken, dan moet hy eerft de daad, dat is, dat Janfenius die Stellingen gefchreven heeft, en dat men ze doemt in den zin van den Auteur beoogd, uit het Formulier fchrabben^ of de onderfcheidinge daar uitdrukken. Het is dan louter bedrog hier voor te geven, gelyk Myn Hr. doed, dat niet de zekerheid van de zaak, maar de waarheid onzer mening het voorwerp van den Eed is. Wat betekenen dan die woorden in de Bulle van Clemens XI., dat de gedoemde zin van Jansenius m de V. Stellingen niet met den mond alleen, maar ook met het hert gedoemd mo.et worden? Is dat niet te zeggen, dat de Eed niet alleen op de doeminge der Stellingen moet vallen, maar ook op het feit, dat ze Janfenius geleerd heeft, en dat men ze doemt in den zin van Janfenius? En waarom doed hy dan zelf zoo eenen onnutten weer, en fteld hy dan zelf zoo magtelooze poogingen tewerk, om de Stellingen in Janfenius te vinden, indien de daad onderfcheiden is van het regt in den Eed van het Formulier. Waar toe danzoo een alarm onder Clemens IX. om die onderfcheiding te verkrygen? Eindelyk komen alle zyne draaijerytn hier op uit, op dat de Gelovigen

Sluiten