Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 188 )

maar te zeggen: dat men niets anders voor nad, dan zig van onze meninge te verzekeren, en dan zouden wy hem gezeid hebben, dat wy het eens waren, dewyl wy de V. Stellingen regtzinnig doemen in alle de kwaade' zinnen, welke zy ook mogen hebben. Maar indien hy zelf zig waarlyk verbeeld dat dé Led van het Formulier niets anders behelsd, als die verzekering, waarom heeft hy dan onnuttelyk zooveel papiers beklad , om de Stellingen in Janfenius aan te wyzen, en om den zin van Janfenius te ontdekken, vermids dan evenveel zou zyn, of Janfenius die Stellingen gefchreven of niet gefchreven had , en welk den zin van Janfenius zou zyn? Of zou men den Paus, de H. Stoel, de Kerke en de Gelovigen niet kunnen verzekeren van zyn geloove en opregte meninge, met eenvoudielyk de Stellingen te doemen, zonder met eenen te zweeren, dat zy uit het Boek van Janfenius getrokken zyn, en zonder te zweeren , in den zin door_ den Auteur beoogd? Is het noodzaakelyk dat ik zegge dat Janfenius een kwaade (en tot nu toe onbekende) zin beoogd heeft, om Cat.iolyk te zyn ? Ouis locus Innocentice refervatur, zegt de H. Auguftinus (*), fi crimen efl proprium), nefcire crimen alienum? „ Wie zal dan „ ooit onnozel kunnen blyven, indien het tot „ een eige misdaad gerekent word, onkundig „ te zyn wegens de misdaad van een ander? " En met betrek op die daad van Janfenius, mag men met den zeiven H. Vader zeggen: (f)

fi

(*) S. Jug. Epift. 03. N. 15.

Cf; Conti; Creseent. Lib. 3. C. 13,

Sluiten