Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S PROEVE OVERDÊ

S 2.

Wat is toch anders de zorg, die zoo onaffcheidelyji tot den kring der Menfchelyke huishoudinge behoord * dan eene redelyke, fchoon veelal onrustige bedoeling Van ons toekomftig lot, gecvenredigt naar de gisfing, die wy over onzen aanftaanden, en voor ons waarfchynlyken toelïand, maken?

S 3-

Het rust dan' op den besten grond van zekerheid, dat de Mensch met eene natuurlykc trachting behebt zy „ om zich over het Toekomende te bemocijen; En men zou het 1'chier durven wagen, vasttcftellen, dat deze* bcmocijing met het Toekomende, zoodanig een uitvloeitel van onzeu wezensftand zy, 't welk onze huishouding van die der Dieren onderfcheid en boven dezelve verheft: Immers, voor zoo verre men de fchynbaarö voorzorg der Mieren, en fommiger andere Ichepzelen, niet aan beredeneerde vooruitzichten, maar aan zonderlinge en ons tot nog toe gantsch onbekende Inftinften , of kunstdriften, gewoon is toetefchryven.

§ 4-

Indedaad, deze eigenfchap des Menschdoms , zou onzen Itand, myns bedunkens, veel onaangenamer maken, dan die van het redenlooze Vee Cwyl toch het toekomftige lot van een iegelyk onzer, ondanks alle onze zorgen, volkomen zeker, fchyntvastgefteld, en voor beftemd te wezen) indien dezelve het vleijende voor* oordeel niet in ons verwekte, dat onze beftemming niet

Hechts

Sluiten