Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t4 proeveovkrde

gen aart zoude moeten inboezemen, dan in het onderzoek van alle die dingen, die wy daar even opnoemden. Beide, Ruimteen Tyd, indien zy iets wezentlykswa« ren, zouden gefehapene wezens zyn, en dus fchepfelen, omtrent welken het ons buiten kyf geoorloofd is > ons onderzoek in 't werk te itellen. Maar zedcrt de" Wysgeertc van Leibnhz en Woljf, is men vry algemeen op de gedachten gekomen, dat noch de Ruimte, noch de Tyd, buiten ons Verftand, dat is buiten onze wyze van voorftellen en befchouwen, eenige hoegenaamde aanwezigheid hebben; Dat de Ruimte niets anders is, dan het denkbeeld,'t welk in ons geboren word, alswyonsdc Orden der dingen die tcgelyk aanwezig zyn, voorftellen ; En dat de Tyd alleen in onze wyze van befchouwen, van diezelfde dingen, naar de Orden van hunne' opeenvolging beftaat: Doch dat buiten dit afgetrokkenö denkbeeld, noch de Ruimte, noch de Tyd, iets wezentlyks vooronderftellen; zoo dat beiden deze voorwerpen, in het Verftand van het Goddelyke Opperwezen, een louter niets zyn. Hoe men het nemen wil; Ruimte en Tyd, hebben geen de minfte verhevenheid of Waardigheid boven elkander, en de dingen, die op elkander volgende, den Tyd uitnmken, hebben niets,"t welk hun onderzoek ontzaglyker zoude doen fchyneni dan de dingen die tcgelyk beftaan, en de Ruimtefaamenftellcn, of vervullen. — Dc Ruimte heeft drie afmetingen, Lengten, Breedten en 1 Hcpten. De Tyd fchynt ook afmetingen,- edoch maar twee, te hebben; namelyk 't Voorlcdenc en het Toekomende, waarvan het Tegenwoordige de uiterfte eindpaal is, even gelykhet

Punt

Sluiten