Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120 PROEVE OVER DE

De Astrologie had intusfchen dit met alle de takken der Natuurleer gemeen, dat zy, fchoon rustende op waarnemingen en ondervindingen, vol Theorien en Hypothefen was. De kenfehetzende Veniuftsöverhellingder Ouden, fchynt altcos geweest te zyn, voor Algemeene Grond - Denkbeelden, waaruit het byzondere wierd afgeleid , en waar naar dan ook alles, wat buiten hun verftand, en onafhanglyk van hunne denkbeelden beftond, moest verklaard worden. Al had nu de opzameling van byzondere ondervindingen en waarnemingen van vele Eeuwen, de Leer der Voorzegging uit de Sterren voortgebragt, dit was niet genoeg, naar den fmaak der Ouden. Die byzonderheden moesten uit AlgemeeneDenkbeelden kunnen afgeleid worden. Kortom, men moest Theorien en Hypothefen hebben, om daaruit, wat men ondervond , te verklaren. En hoe fterk de grootüe Mannen, in dit zelve begrip waren volhardende, eerde Newtoniaavfche Philolbpheertrant de kennis der Natuur. leer, aan de Proeföndervindingen volftrckter gebonden heeft, blykt aan den Grooten Lat her, die in zyne Uitlegging over Genef. I. (Lutherus Tom. X, Wiltemb.) verklaart : „ Dat hy zich» nimmer zal laten opdringen, dat men „ de Astrologie, oudtxdtFrye Konften zoude tellen, ter „ oirzaake, dat zy geene klaarblykelykebewyzen heeft; „ Want (vervolgt dien Grooten Man) dat zy zich op de > ,3 ondervinding beroept, doet by my niets af." Daar moesten dan Theorien zyn, waarmede men a prior ie bewyzen konde,om eene Leer tot den rang van eene Wetenfchap of Vrye Kunst te verheffen; De waarnemingen en ondervindingen, waren buiten dien maar voor

Stuk-

Sluiten