Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschlijke zwakheid te overwinnen, en de arme knaap zonk, met een verpletterd hoofd, voor zijne voeten neder. — Zeer gelaten beurde hij nu de drie lijken van den grond op, lag ze op het bed, en haalde er de dekens over, heen.

Het gefchreeuw van deze ongelukkigen hadt de moeder gehoord, zij liep verfchrikt op hetzelve af, en eischte , toen zij de kamerdeur gefloten vondt, met geweld binnen gelaten te worden, hij maakte haar eindlijk de deur , fchoon met deze woorden: ach, blijf buiten , moeder 1 er is hier binnen reeds ellende genoeg! open. Haare ontfteltenis, bij het gezicht van het bloed op den grond, en nog meer bij het wegrukken der dekens, kan men moeijelijk denken,maar onmooglijk met woorden uitdrukken. Zijne rust daarentegen bleef ongeitoord. Hij weende wel over deze lijken; maar hij bleef er bij: dat hij een verdienstlijk werk hadt verricht, met ze opgeófferd te hebben; liet zich gewillig in de gevangenis brengen , en behieldt ook daar zijne kalmte van ziel.

Hetgeen zijne rechters tot eer verftrekt , is , dat zij hem niet met de dood ftraften, maar hem tot eene eeuwige gevangenis in het Tuchthuis verwezen ; en Koning frederik, toen hij dit vonnis zou ondertekenen, haalde dit woord door, en zette voor hetzelve: Dolhuis (*>.

(*) Zie Meiszner Skizzen, 4 Samml. pag. VS-Jk*

Sluiten