Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0'OSTINDIÊN. 113

toonde, wijl zij hem de grootfte moeite gekost had j niets, of bijna niets. Ik beroep mij op het getuigenis van den Heer de Jusfieu, die de goedheid heeft gehad mij alles , wat men zich Van de overblijffelen dier ontzaglijk uitgebreide onderzoekingen heeft kunnen bezorgen, mede te deelen. Deze treurige overblijffelen van den moeijelijken arbeid eens geleerden, die zeer veel onderfcheiding verworven had, behelzen niets dan uitleggingen over eenige planten, door Flacourt in zijne Gefchiedenis van Madagascar befchreven. De eenigfte belangrijke aantekening betreft de Quimosfen. Ik zal die overfchrijven, en 'er eene kleene memorie van den Heere de Modave, betreklijk het zelfde onderwerp bijvoegen.

„ De beminnaars van het wonderbaarlijke, die „ het ons ongetwijffeld niet wel genomen zouden? „ hebben, dat wij de gewaande reusachtige ge» „ ftalten der Patagons tot zes voeten hoogten ge„ bragt hebben, zullen mooglijk, tot vergelding» „ een gedacht van Dwergen aannemen, het welk

tot het tegenovergedelde uiterde vervald. Ik; „ bedoel hier , om van die halve menfehen te „ fpreeken , die het inwendige gedeelte van het „ eiland Madagascar bewoonen, en die daar eene „ aanmerkelijke natie vormen, zij wordenQuimos „ of Kimos, in de Madecasfche taal genaamd. De „ natuur en onderfcheidene eigenfehappen dier „ kleene menfehen bedaat in blank, of ten min„ ften taanachtiger van koleur te zijn, dan alles H „ de

Sluiten