Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OOSTINDIËN. 169

indien, voor dat de Falabre vergaderd was, die redenaar, die door gefchenken gewonnen was, niet plegtiglijk toegeftemd had in alles wat buiten het weten van Jan ■ Harre en de andere Hoofden, befloten was. Deeze zaak is wel aanmerkingswaardig, wanneer zij bij wilden gefchied, bij welke de goede trouw, en nog veel meer de vrees om plegtige eeden te fchenden, aan ieder bijzonder wezen de ftrikfte inachtneeming van alles wat befloten is, onder de geftrengfte ftraffen, oplegt.

Des anderen daags na het fluiten van het verdrag, was de markt van Foulepointe overvloediglijk voorzien: de fchepen beijverden zich om hunne voorraadsverzorging te voleindigen, en zij deden dit ook fpoedig en met weinig kosten.

De Heer Poivre gaf, in Frankrijk gekomen zijnde, een goed getuigenis van La Bigorne. La Bigorne was toen op Foulepointe niets anders dan tolk; maar op de aanbeveling van den Heer Poivre, wierd hij gelast om in de geheele uitgebreidheid van Madagascar, onder het bewind van Pile de France, alle de zaaken, die betreklijk tot den koophandel of de voorraadsverzorging der fchepen waren, te beftuuren. Men had alle reden om over die keus te vrede te zijn. La Bigorne gedroeg zich verftandig en wel, tot in het jaar 176a, in het welk hij naar Pile de France te rug geroepen wierd, om dat hij den oorlog tegen Jan Harre gevoerd had. Men verzekerd, dat hij alle mooglijke poogingen aangewend had, L 5 om

Sluiten