Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 25 }

is toch een aarde, ding: dan wijst het op mooi, dan op flegt weêr, en dan is 'rook altijd zoo: 'er komt evenwel geen mensch bij die 'erietsaari doet! 't lijkt wel toverij.

'tZal u zekerlijkgeen toverij fchijnen, als ik dc oorzaak, van het rijzen en daalen der kwik , u zal doen begrijpen. Let op, mijn Vriend.' de geheele oorzaak van dat rijzen en daalen der kwik is, om zo te fpreeken, de Lucht alleen, wanneer die zwaarer wordt, klimt de kwik ,• en als zij lichter wordt, zakt ze weder. Als dan het weder (tilis,en zich tot regen of wind fchijnt te fchikken, zal men doorgaans de kwik zien daalen; en in tegendeel klimmen als de Lucht helder wordt. Nu onder aan die pijp, ziet gij een glazen bolletjen, waar in een gaatjenis waardoor de Lucht inkomt; Begrijpt gij nu hoe dat klimmen en daalen van die kwik gefchieden kan, zonder dat 'er een mensch de hand aanflaat ? al heel wat beter dan ik verwachte» Nu wil ik voor eens zo veel, als 't mij gekost heeft, dat ding nietmisfen.— Ik leer 'er waarlijk, met behulp van dieonderregting, uit, dat de Lucht eene wondere kracht heeft. Dat zij, gelijk gij zeide 3 vloeibaar, dun en doorfchijnende is, begrijp ik wel: want daar het zeker is, dat wij zonder Lucht niet leeven kunnen , moet'er overal ook Lucht weezen. Zij moet dan ook door eene kleine ipatie kunnen doordringen; dus vloeibaar en zeer dun zijn: daar'er ook, zo als ik mede wel begrijp, over al veel Lucht is, en wij niet alleen de toorens, die zelfs verre hiervandaan; maar ook de (larreD, die aan den hemel zijn, doof dezelve kunnen zien, is het zelfs zeer gemakkelijk te weeten, dat zij al zoo doorfchijnend is

Sluiten