Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 97 )

TWEEDE AFDEELING,

Van die, welke betrekking hebben op onze naasten.

De orde of fchikking, welke wij in al het gefchapene ondervinden, doet ons zien, dat God, tusfchen de wezens, welken in hun foort elkander gelijk zijn, eene bijzondere overeenkomst gewild heeft. — Let Hechts op de redenlooze dieren , en gij zult welhaast bemerken , dat 'er in zulk foort, tusfchen huns gelijken iets gevonden wordt, dat hen vereenigt, en zoo we het dus moogen uitdrukken, wederzijdfche pligten doet betrachten. — Wij kunnen dus , zonder zelfs de uitdrukkelijke bevelen, welke God in zijn H. Woord, omtrend onze naasten ons gegeeven heeft, nu in acht te neemen, uit alles, wat we ter beantwoording der voorgedelde vraag gezegd hebben, zonder moeite zien, dat wij onze medemenfchen, als onze naasten, ons moeten aantrekken, en tot die gemeenfchap, welke God onder ons gewild heeft, weldreng verpligt zijn.

Gij ziet dan nu reeds, zoo als ik vertrouwe , mijne vrienden, dat'er uit het vorige al veele zedekundige gevolgen, die betrekking op onze naasten hebben, afgeleid kunnen worden. Om kort te zijn, zal ik echter de vier voornaamfte u maar voordellen.

Ziet hier dan eene in het

Sluiten