Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 102 )

te wekken, zoo is het mijn pligt ook u aan te maanen, tot eene liefderijke behandeling van allen, welkers dwaalingen gij verfoeijen moet. —overtuigd dat zij den regten weg niet volgen, -zijn zij voorwerpen van uw medelijden; maar geenzins menfchen, die gij befpotten of verdrukken moogt. . Zoudt gij zulken niet verfoeijen, die een blinden uitlagchten, ofwenschten dat hij in de graft viel, als hij, uit onkunde, niet dan een blinden leidsman had? •

hóe gevaarlijker dan hunne dwaaling is, hoe meer gij verpligt zijt, om hen, naar uw vermogen te regt te brengen. Maar zulleu

zij, naar uwe onderrechting hooren, als gij hen

fcheldt en lastert ? zullen zij gelooven, dat

bij u de waarheid is, als gij hen valfchelijkleeringen ten laste legt, die zij zelve verfoeijen ? — zullen zij vertrouwen, dat gij den waai en Godsdienst hebt, als gij op de onrechtvaeruigfte wijze hen behandelt? —— neen zeker niet!

Alles dan wat u van uwe verpligting tot den Godsdienst en een Godsdienftig leven overtuigd heeft, doet u ook, als een gevolg hier van, zien, dat gij zoo veel in u is, wel ieveren moet om uwe Naasten, zoo gelukkig als u zei ven te maaken; doch door een ieverdie met verftand is: want al waar nijd en ftrijd is, daar

is verwarring en alle fnood bedrijf. Wacht

udan, mijne vrienden! van anderen om hunne dwalende begrippen in den Godsdienst te befpotten , te lasteren of te vervolgen, jooden, turken, jade onverfchoonbaarfte heidenen, zijn ook onze naasten ; zijn , als menfchen, onze broeders, die wij beminnen moeten; doch omtrend hunne dwaaling , gelijk men het noemt, verdraagzaam, maar met de daad onverfchillig- te weezen, is

Sluiten