Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t tlo )

EERSTE HOOFDSTUK;

Over de welgeregelde begeerte, naar eere en aaazièn in de waereld.

Gij fchijnt verwonderd, mijne vrienden!— wij zijn het ook, zegt gij, want kan dit. de pligt van eenig menfch , omtrend zich zeiven weezen, dat hij begeerig is, naar eer en aanzien in de waereld? zijn 'er wel menfchen, die zich zeiven meer kwaad, hunnen naasten meer verdriet, en aan God meer oneer aan doen, dan hovaardigen?recht, zegt een ander: ik mag ook in 't geheel geen grootfche gekken lijden! mjjn buurman hebbe ik gekend , toen hij

een arme jonge was Ik weet wel geen

kwaad van hem; doch het fluit mij toch, dat hij zulk een man wil zijn! wij weeten immers, wie zijn ouders waren? hij fchimpt misfchien, of veracht u, alsof gij minder waart? — neen, dat kan ik ook niet zeggen, hij is zelfs vriendelijk voor mij, en laat mij door het jaar nog al wat verdienen; maar, jk kan 't niet helpen, 't heeft mij nooit behaagt, dat hij altijd meer' wilde weezen! wat deedt hij dan, om meer te

worden! we! 't Was wel goed, maar,'

wie doet dat zo?— Toen wij fchool gingen, deede ik als de grootfte hoop, en 't was met *t leeren, hoe eer gedaan, hoe liever; maar, hij fpeelde nooit? Ja wel: doch al dat leeren dat hij deedt, flont mij toch niet aan. —<Ik kan leezen; dit dacht ik was genoeg voor mij; ik wilde zoo hoog niet vliegen, en gingj1 toen ik wat verdienen kon3 met mijns gelijke

Sluiten