Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( H5 )

den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij de lof, de eere en de Heerlijkheid in alle eeuwig' beid (a ), voeg 'er bij P/alm 104, 136, 148.

Nu toonc men ergens ter waereld eenig boek aan, dat den mensch zó naadruklijk infcherpt, dat hij alles aan Gode verfchuldigd is, en dac hij alles rondom zich te befchouwen heeft, als bewijzen voor Gods dienenswaardigheid ; zuik een boek zal niemand u ontdekken.

Maar hetgeen in deeze boeken rog ftefker dringt, is, dat de Heere de God zal zijn der geer.en die Hem vreezen (b). Wat beweegreden kan kragtiger zijn, dan dat de eeuwige wijsheid, weetenfchap, goedheiden magt, ons ten nutte wil aanweezig zijn; dat God alles wat Hij is, voor ons zijn wil? behalven dac dit de hoogfte gelukzaligheid in zich bevat, en dus ten fterkften op ons werken kan, is het niemand ooit in den zin gekomen, buiten deeze Schrijvers, den Godsdienst zó aan te dringen, en onze belooning zelve te doen beftaan, in liefde jegens -, vertrouwen op - en verheerlijkinge van God, gelijk zij daar in beftaat, voor elk die zijne gelukzaligheid in God alleen zoekt; naar deze leer wordt ons dan bevolen gelukzalig te zijn, dat is op God te vertrouwen , Hem te verheerlijken en lief te hebben, en belooft, dat wij hier door God genieten zullen. Welk eene Godlijke uitmuntenheid i

Dringreden uit de verlosfinge door J. C. De boeken des O. en N. Verbonds gebruiken daar en boven eene dringreden ter Godzaligheid welke gij te veigeefcch in alle ar-dere fchriften

O) 1 Tim. I. 17. (*) Pf- Zjt J*r. VII. 23. cap. XI. 14, cap. XXIV. 7.

Sluiten