Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 162 )

den hunner wederpartijders eenen aanvang rnaakende; welke wederpartijders zelve, bij die ge'e,L'enheid, getuigen wierdeu van een blijkbaar Godlijk wonderwerk aan bun gedaan ( o); dat de algemeene uitgebreidheid van de Romeinfche alleenheerfching alle gelegenheid gaf, aan alle volkeren, om naauwkeurig naa die zaaken te onderzoeken (p ); dac de Apostelen hunne gefchiedverbaalen fchrijven en voordellen op zeer verfchillende tijden , in onderfcheidene plaatfen en omftandigheeden; waardoor ze onmooglijk zó naauwkeurig konden overeenficmmen in hunne voordragten als ze nu doen, indien zij zo veele verdichtfelen verbreiden wilden ; dat de Apostelen niet alleen verklaarden dat ze wonderwerken, door en aan Christus hadden zien verrichten, maar dat ze zelve begaaft waren met deeze vermogens en dezelve dikwijls oefenden; wie zoude dit op hun bloot zeggen gelooven, en hen niet zonder daadlijke proeven, voor bedriegers gehouden hebben ? te meer daar ze voorwendden ook dit wonderdaadig vermogen aan anderen te kunnen mededeelen, en, zich 'er, bij tegen hun kwaliikgezinde Christenen, op beroepen, dat zij hun die vermogen medegedeeld hebben, i Cor. [. 5,7. cap. II. 4, s cap. IX. 2. cap. XII 8—Ui ?.8—30. cap XIV. 1—18. 2 Cor. XI. 5, 6. cap. XII. 12, 13, cap. XIII. 3, 10, Gal. III. 2, 5.

Indien nu, met dit alles, die voorgeeviDgen bedrieglijk waren, hoe konden dan in dien tijd reeds zó veele menfchen tot het geloove aan hun zijn bewogen geworden, als te vooreu

Co) Hand. II.

i P) Mmh. XXVII. 1, Luc. XXIII. 2, Jok XIX.12.

Sluiten