Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 17O

4de Hoofdftuk te blijven, wil jk u herinnen ren, hoe daar ook gebleeken is, dat de eerfte Belijders van deezen Godsdienst niec alleen flechts menfchen van geringen ftaat, en weinig kennisfe, maar veelen onder deezen, zeer aanzienlijke, en wel onderweezene perfoQnen , waren.

Zulk een "voortgang moas niet te voagten voor zulk eene leere, bij zulke menfchen, in die omflaniigheeden.

Zij, die nu deezen Godsdienst zouden aanneemen, moesten alle hunne Heidenfche ea Joodfche vooroordeelen tegen 'c Christendom itrijdende, welke hun nogthans van hunne Jeugd ingeboezemd, en met het toeneemen hunner jaaren verfterkt waren , verlaacen ; zij moesten den voorouderlijken Godsdienst in zo verre verloochenen; die prachtige vertoonin■gen , waaraan de zinnelijke menfchen van hunne Jeugd af verbonden waren, vtroordeelen: zij moesten in zo verre zij Heidenen waren, eenen Godsdienst, waarin zij vrijheid behielden , tot hec verzaadigen hunner vleeschlijke begeerlijkheeden (o), ja die dezelve begunftigde; eenen Godsdienst, die door openbaar gezag gehandhaafd werdc (p ), verwisfelen met zulk eenen die eischte, dac men hec vleesch moeste kruisfigen met deszeifs beweegingen (q}% en begeerlijkheeden; die allen wederftand vondt bij dè heerfchers der aarde, en om welken zij door deezen vervolgd zouden worden (r); die eischte, dat men zijnen troost en zaligheidzogt bij eenen mensch, die aan een fchandelijk kruishout , door de handen van 't gerecht was om-

(•) Hoofdfl. I. J. 1. (p) Havd. III. 17» 22,23, 24. • (f) Rem. VI. 6. (r; Hoofdfl. IV. §. 2.

Sluiten