Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t 180 )

leerden, en anderen die den marteldood, als't ware, te gemoed gingen, alleen uit de verheeldinge, dac zij door denzelven bijzonder waardig wierden in de oogen der Godheid, al konden zij denzelven zonder verloocheninge van t c. ontgaan; en men kan niet ontkennen, dat men van dit laatfte foo't verfcheidene onder de Christen • Marcelaars gehad heeft. Dan geene van deeze beide befchuldigingen past op de ter[le Christen-Martelaars; de eerfte befc'nuldigmg niec, om dac zij zich zo veel mooglijk fchikten, na de begrippen der volkeren, waar mede zij te doen hadden, ja foms zelfs al te veel. Boe coegeeflijk handelden de gezamenlijke Apos. telen , toeD zij te Jerufalem, over het invoeren der 1 oodfche gebru iken , v ergaderd waren ( d ), desgelijks Paulus; en tot die zelfde infchiklijkheid vermaande hij1 de Gemeenten, zo die te Romen (e) als te Corinthen waren (.ƒ); hij ■werdt alles aan allen in dingen die de grooce «aak van 'c Christendom niet benadeelden (g). Te Acheenen fprak hij van eenen onbekenden God en beriep zig op hunne Poëeten (b ), befneedt ïimotheus om der Jooden vooroordeelen (i) nam daarom deel in eene gelofte te Jerufalem ( k ); van Petrus leezen wij zelfs, dat hij in deeze te verre ging ( l) ; Stephanus fprak in zijne laatfte redevoering alleen uit Joodfche beginfels («O ; de Corinufche Christenen aten zelfs m AfgoJs-tempels, en van 't geene den Afgoden geofferd was O). Geene andere dan de gewigtigfte reden, hec grooce hoofdpunt

td Hand. XV. 19-29. (O Rom XIV. (ƒ) 1 C»r. VIII. (gj 1 Cor. IX 19 22. (h) Hand. XVII. 22 —31. (*') Hand. XVI. 3. (k) Hand XXI. 21-26. d) Gal. II. ff t«0 Hand. VII. (n) 1 Cor. VIII.

Sluiten