Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C -79 )

aarde. De mensch, 't is waar, is de heer dezer fchepping, en door de hem gefchonkene verftandige vermogens zeer aanmerkelijk hoven de overige aardfche fchepfelen verheven. Ik fta daar en boven gaarne toe, dat aan hem het redelijk gebruik en genot van het redelooze vee door den Schepper is vergund. Dan inweêrwil van dit alles, begrijpt men over het algemeen niet genoeg, dat deze onze medebewooneren van Gods aardrijk, zo wel als wij, door den gunstrijken Vader van al het zelve, tot hun geluk zijn voordgebragt, en alzo deelen in zijne algemeene goedwilligheid; dat het dus vierkant tegen zijne liefderijke oogmerken met zijne fchepfelen aanloopt, wanneer de menfchen, gebruik maakende van hunne meerdere bekwaamheden, zich tot dwingelanden en beulen over deze hunne • medefchepfelen .verlaagen. Schande en fchaamte* moet het aangezigt van eiken regtfchaapen vrind van God bedekken, wanneer hij zijnes Maakers goedheid over alle zijne werken nadenkt, en daar bij let op de ongeveinsde blijken van vrolijke dankbaarheid en getrouwheid, welke de meeste dieren bewijzen aan zulke menfchen, die hen maar eenigzins met vrindelijkheid behandelen: en wanneer hij daar en tegen

niet alleen kinderen, maar ook volwasfchene menfchen, de uitgezogtste wreedheden en de verregaandile mishandelingen en moorderijen, — dikwerf uit enkele baldaadigheid en om zich te vermaaken, — zich dagelijks jegens deze zwakkere fchepfelen ziet veroorloven. Men behoeft geen leerling van Pythagoras te zijn en met hem de zielsverhuizing te T 3

Sluiten