Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 324 )

Welke zijn zij?

Die vermogens zijn verfta nd en wil, zegt iemand, en die dat zeggen kan uit zich zeiven , zal reeds gevoelen waar ik henen moer.

Het komt mij namelijk voor, dat de Maatfchappij met de woorden verftandig en god' vrucheig, op deze twee vermoogens gedoeld hebbe.

Eene verftandige opvoeding zal te zeggen zijn, zo eene, die gefchiedt na die regelen van wijsheid en voorzichtigheid, die het verftand en oordeel voorfclirijven.

Eene godvruchtige, zal die opvoeding aandui den,die met een goeden wil, dat is, met ijver en lust, en allerlei goede begeerten gefchiedt; want altijd, als men zijn pligt met een goed hart doet, dan kan dat godvruchtig heeten.

Bemerkt gij nu niet,Leezer! dai gij ftraks de woorden verftandig en godvruchtig zo hebt uitgelegd f gij zeiuet immers, dat de vertelling van die twee Tuinlieden leerde, dat in de opvoeding der kinderen, verhand en hart voor deze zaak. moeten vereenigd zijn!

Men zou nog aan de woorden verftandig en godvruchtig, ook wel meer verklaaringen kunnen geven; maar wat zou dat uitdoen? - .

de zaak die de Maatfchappij bedoelt, is zeeker deze, dat men de kinderen moet opvoeden, zo als een weldenkend verftand, en een godvruchtige wil vereislchen, hoe men ook de woorden ziften wilde, daar op zal het toch met de zaak altijd moeten nederkomtn.

s. 4.

Laat u, op lm leezen dezer dingen, des

Sluiten