Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 355 )

§. 7-

Daar is nog meer in de kinderen , dat ik, om ook mij hier in te bekorten, moet voor bij gaan; maar iets moet ik ophaalen , dat mij deze zevende regel aan de band geeft, het is dit: kinderen zijn geen poppetjens van wasch, die men maar dit te zeggen, en dat te doen heeft, om ze zo te maken, als men wil; dit fchijnr het, als of veele geleerde mannen in hunne wijze fchriften, over de opvoeding onderleiden ; maar dit is zo niet zelfs de fchran-

derften, toonen fomtijds in eenige dingen, althands op eenige tij en, de grootfte botheid of onleerzaamheid, of hoe men het anders noemen mag; en of gij goede woorden geeft, of kwaade, het helpt niet, al [laatgij hen zelfs — men zou al eens kunnen denken, ja dat is zo een luim, ik zal een beter tijd afwachten, en fomtijds is het ook zo; maar het is ook fomtijds anders, te weeten, dat zij altijd onhandelbaar blijven?

Wil men trachten dit door geduld te overwinnen , het zal ook al een vergeeffche arbeid zijn, wat moeite men doet.

Een allerbest middel is daarom altoos, op het humeur der hinderen zo als men fpreekt, agt te geeven.

Allen willen zij gaarne fpeelen, over het gemeen gefproken; maar elk fpeelt, op zijne eigene wijze; het fpeelende leeren, waar van ïk (traks gefproken hebbe , moet daarom gefchikt worden na den trant van fpeelen, dien zij meest verkiezen.

Maar het humeur hebben zij, al fpeelen zij A a i

Sluiten