Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 356 )

niet, en kan men dit voldoen, dan heeft men zo goed , als het geheele kind voor zig.

Is uw kind hoogmoedig van aart, beduidt hem op eene bevattelijke wijze, dat gehoorzaamheid aan uwe lesfen zijne agting bij God en menfchen bevorderen zal! valt hij in het vrolijke , wet fpreekt met een lachgend, doch tevens niet dartel gelaat, doet hem begrijpen, dat gij hem niets anders, dan de weg tot waare blijdfehap leeren wilt en zo voords.

5. s.

Dit zegge ik evenwel niet, op dat gij hen in hunne ondeugden lijven zoudt.

Neen! hunne ondeugden moeten wijten nutte van onze goede onderwijzingen aanwenden, dit meende ik in den voorigen grondregel.

Maar tevens, en dit is een achtfte middel tot eene goede opvoeding, moeten wij hen tot yer~ betering en aflegging hunner gebreken, opleiden.

Dat is, wij moeten God bidden, om hunne bekecring, en wij moeten hen zeiven daar toe opwekken, zult gij misfehien deuken.

En deze dingen zijn 6ok hoogstuoodig; maar zij zijn alles niet, dat wij hier te doen hebben.

In tegendeel, 'net is eerst noodig, dat wijden kin leren zeiven over hunne gebreken onderhouden, dat is, hen over dezelve onderrichten; want hoe kan een kind aan God welmeenend belijdenis doen van eenig gebrek, in hem, of daar omtrent vergeeving en verbetering bidden , als hij niet eerst duidelijk begrijpt, ja met leedwezen ran zijn hart begrijpt, dat hij waarlijk dat gebrek heeft?

Sluiten