Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 357 )

Zult gij nu, om hem dat begrip te geeven, voldaan, met maar te zeggen, kind! gij zijt hoogmoedig, ongeluovig , bijgeloovig, gierig, en. daar door ook een vijand van den Burgerdaat ? en dat is zonde?

Het kind zal denken: wat is hoogmoedig? en wat is zonde?

Komt hij tot eenig begrip, hij zal haast gaan denken, dat niemand mooije kleêren draagen mag; want dat dit hoogmoed is; dat men niet uitzuinigen mag; want dat dit gierigheid is , enz.

Dit moet e;j daarom doen — is hij eerzuchtig, valt hij niet ligtgeloovig, of aan den anderen kant, niet eigenwijs, is hij niet verkwistende; maar eer fpaarzaam van aart enz. ? dan moet gij hem beduiden, hoe ligt die hoedanigheeden in ondeugden van trotschheid en gierigheid verbasteren; doet hem begrijpen, hoe zeer God daar tegen is, hoe derk alle weldenkende menfchen zulks misprijzen; hoe naadeelig het voor hem zeiven is, en hoe alle kwaade gedragingen een verachtelijke n grondflag hebben, bij voorbeeld, dat de hoogmoed deunt op een befpotteli ken waan, dat wij al heel wat zijn, daar wij" niets ziin; dat de gierigheid eene hoogachting voor tijdelijke goederen te kennen geeft, die zij niet verdienen.

Dit is de redenlijke weg om hen te verbeteren, en als üat na hunne geaartheid gefchiedt, ïs dit de regte weg, om kinderen met hunne gebreken tot God , en tot eene waare begeerte na verbetering te brengen.

Aa 3

Sluiten