Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 4I°* )

§• 49.

Gierigheid.

Gierigheid is eene zeer verfoeielijke en gevaarlijke ondeugd,Paulus noemt haar dewortel van alle kwaad, zij heiraat eigenlijk in liefde tot het goed, alleen om het maar te bezitten ; men heeft menfchen, die zo bekrompen denken, dat ze altijd vreezen, dat zij zelve of hunne kinderen nog van honger en gebrek zullen omkomen; en daarom vergaderen zij fchatten met alle zorgvuldigheid; dan, deze zorg, heeft in de kinders geen plaats.

Anderen begeeren het goed, om dat zij daar door hunne vermaaken vermeerderen kunnen , en deze zi n eigenlijk geene gierigaarts, maar wellustigen: anderen nog begeeren het om voor wat groots te kunnen lpeelen, en deze zijn hoogmoedigen.

Vooral dient men dan te zorgen , dat een kind het goed niet lief krijgt; de ouders geeven dikwijls aanleiding tot deze ondeugd , als zij de kinderen voorftellen, hoe mooi het is, een fpaarpotjen te vergaderen , hoe veel zij al hebben, hoe zij alles befpaaren moeten, en wat dies meer zij; verkwisten, lhoepachtigheid en buitenfpoorige mildaadigheid, zijn op verre na zo gevaarlijk niet, als de gierigheid in de kinderen; want deze wordt vervolgends nog veriterkt, door ondervinding , van de noodzaakelijkheid der bezittingen: maar deeze zelfde ondervinding maatigt doorgaands van zelve de al te groote losheid van het goed, welke echter ook niet ingeprent moet wordeii: ontdekt gij dan, dac uw kiud gierig

Sluiten