Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 477 3

lijkheeden en ongenoegen, in hun mijn troost ' en verkwikking, mijne eere hadt kunnen

vinden; ó God! ik durve u zelfs om gee" ne verligting in fmarten, om geene verge-

ving voor mij en voor mijn kroost bidden , " gij zij1 regtvaerdig als mijne naakomelingen

(6 God welk denkbeeld ! ~) uitgeroeid worden, '! als bun naam wordt uitgedelgd in 't ander

gejlacbt, als de ongerechtigheid hunnes vaders „ wordt gedagt bij den Heere, en de zonde bun„ ner Moeder niet wordt uitgedelgd, dat ze „ geduuriglyk voor den Heere zij, en mijne ge„ dagtenis van de aarde wordt uitgeroeid (cf) niet zelden zag men Ouders, onder alle voor„ Hellingen van 't Evangelie door anderen

aan hun gedaan, zo wanhoopig, fterven,

JVel opgevoede.

Konde ik ze een regt denkbeeld geeven van het genoegen, 'twelkdeugdzaame , Godzalige kinderen aan hunne Ouderen verfchafTen, welk een vermaak de blijde hoop op hun geluk reeds in hunne jeugd verfchaft, hoe hunne goede denkbeelden en beginfels dikwijls een ftillen traan van genoegen en blijdfchap uit der ouderen oogen doen rollen , hoe zij 'er al vrueg dienst en hulp van hebben, en God danken over het geluk, dat zij kinderen mogten voordbrengen; kon ik u na waarde vertoonen , hoe wel opgevoede kinderen doorgaands in de grijsheid hunner Ouderen , het licht hunner oogen en de verkwikking ihunner bezwijkende harten zijn, daar zij alle

(a) Ps. CIX: 13, 14, 15.

Sluiten