Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 120 )

veele anderen, wier naameninde Hemelen zijn opgefchreeven ; zo deeden waare menfchen\nenden niet.

Ieder gelegenheid,dieonsvoorkomt, om braafheid te kunnen doen, is eene aanklopping, aan ons hart om hetzelve te openen, en om braafheid te moeten doen.

Al de vermogens, die wij hebben, fpooren ons tot aJgcmeene braafheid. De Algoedheid fchonk zeons alleen, om'er nuttig mede te zijn. Wij hebben niets dan geleend goed. Alles behoort den Vader aller menfchen toe. Het vermogen om kranken hij te ftaan, om treurigen op te beuren, om noodlijdenden te helpen, om armen aalmoefen uittedeelen, is alles, alles van God. Wij zijn de hand, die zijne zegeningen ontvangen, en tevens het mfddet, om diVzo te belteeden, dat wij ten geenen grooten dage, als getrouwe rentmeefters, 'er rekenfchap van kunnen geeven.

Het loon, het genadig loon op de beoefening, en de fchrikwekkende draf op de nalating deralgemeene braafheid, volgens Matth. 25., is de opmerking aller menfchen waardig. JHet eerfte is een eeuwig wel, het laatite een eeuwig wee. Een eeuwig wee zal de itraf der geenen zijn, niet om hunne goddeloosheid en hemeltergende ondeugden; maar om dat zij hongerigen gezien en niet gcfpijst, dorfhgen, en niet gedrenkt, naakten, en niet gekleed, kranken en gevangenen gezien, en her* met bezocht hebben. Kan men ïterker aanfpo. ring tot algemeene braafheid begeeren ?

Sluiten