Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<: 35 )

aanboorden aan onze pligten: gelukk g hij, die dezelve kent, nog gelukkiger hij, die de. zelve betracht.

Nu kent gij, waarde Leezer! de pligten, die gij als Arbeidsman ten aanzien van de getrouwheid van uw beroep hebt waarteneemen. Zijt gij van derzelver noodzanklijkheid, nuttigheid en billijkheid overtuigd? laat deeze overtuiging niet ledig bij u zijn. Het bezef, dat gij in den weg der Aanbiddelijke Voorzienigheid verkeert, moet u op haar doen uitzien en hoopen; en vermijden, alles, wat tegen haar voorlchriften ftrijdig is.

Uit het bevel, om God boven al en den naasten a's ons zeiven te beminnen , vloeien alle onze overige pligten geregeld voord.

Wenfehen wij toe te neemen in waare deugd, ons te wapenen tegen alle verzoekingen ; dat wij dan geduurig nieuwe voorneemens vormen om den Heere welbehaaglijk te wandelen, en ieviig en aanhoudend bidden, dan zullen wij eene vastheid in ons karakter verkrijgen, en de beoefening der deugd zal ons dan geen mocijelijk, maar een aangenaam wérk zijn. Hedreigt ons dan tegenfpoed; wij zul en 'er de vaderhand des Albeftuurers in eerbiedigen , bewust, dat wij niet zullen verzogt worden, boven ons vermoffen; en worden 'er roozen op onze paden geftrooid, lacht ons de beminnelijke vooifpoed vrolijk toe, wij zullen met dankbaarheid, zonder hoogmoedig of opgeblazen te worden, de zegeningen ons toegefbrt, ontvangen; eindelijk' zullen wij, na hier onzen loop geëindigd en het geloof behouden te hebben, onze hoop, ons geloof verwislelen in aanfehonwen.

C a Dit

Sluiten