Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 229 )

, komt, verheven is beven die welke dezelve , her/lelt.

, Ziet daar, mijne Medeburgers! het eeifte , lid der vraag: welke zijn de landeigen goede , zeden? voor u gefchetst, en door voorbeel, den uit onze Lands-historicn geftaafd; 't is , waar, ik heb mij niet altijd in deze voor, beelden binnen den omtrek van den gemee, nen Burgerkring kunnen houden; maar men , vindt zo fchaarsch de daaden van den gemee, nen burger geboekt; want die men boekt moeten , al zeer uitmuntende weezen ; en dit is de re, den, waar om ik mijne voorbeelden fomtijds , uit het midden van den Burgerftand en fom, tijds uit hoogere rangen heb moeten over, neemen.

II.

Nu zal ik overgaan tot het tweede lid der vraag: welke zijn de landeigene kwaade zeden , van den minvermogenden en laageren Burger' kring in ons Vaderland?

De aloude t a ci t us , wiens befchrijving der zeden onzer eerfte voorvaderen ik tot een grondflag gelegd heb, fchildert hen reeds in dien vroegen tijd, af, als Beminnaars van Jlempzucht (dat is, dronkenfehap) van flaap, lui-en ledigheid, overdreven liefhebbers van

de jagt en alle woeste vermaaken. laaten

wij onderzoeken of die gebreken nog beftendig zijn gebleven in Nederland; en hier toe zal waarlijk niet veel navorfching noodig weezen; immers, wat het eerstgenoemde gebrek van Jlempzucht of dronkenfehap aangaat, wij zien Q 2, dat

Sluiten