Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 294 )

heilaanbrengend nut kennen, en 't niet wen*

fcheo, niec puouen deelachtig te worden? te meer daar het uw eigen belang bevordert. Handelt een koopman niet dwaas , niet onverandwoonlelijk , wanneer hij een gewenschte gelegenheid om zijne waaren op goeden winst uittezetten , onopmerkzaam laat voorbijgaan? fcn zoudt gij even eens doen, de gewenPchte gelegenheid-om uw beroep volmaakter te maaken onagtzaam laaten heenen glippen!

a Liefde tot uwen Naasten, is eene andere aanmoediging tot het zelfde einde. Gij wi_et, wij moeten onzen Naasten lief hebben gelijk ons zeiven. Hier aan moet, volgends de redenkaveling van een H. Apostel, onze liefde tot God blijken. Maar kunnen wij onzen Naasten grooter blijk van onze welgezindheid omtrent hem geeven, dan door zijn verftand te verlichten en zijnen wil te heiligen ? en daar dit door de Maatfehappij reeds in de cjivoeding wordt in 't werk geliefd, hoe noodzaakelijk maakt dit uwe toetreeding, om ook het uwe tot bereiking van zulke heerlijke einden bij te draagen, op dat zij in haare edele poogingen des te beter flaage.

Mooglijk zullen eenigen uwer mij tegenwerpen, dat hun onderwijs, onveroeeterlijk is. Dat zij uic de edelste grondbeginfels , na hunne vermogens werkzaam zijn, en dat zij dus geen leJen der Maatfehappij behoeven te worden, 't kan zijn , Mijne Heeren ! dat gij door lau^duurigheid van tijd en door onvermoeids vlijt, het ver, zeer ver gebragt hebt: maar dan hebt gij nog geene vrijheid om u

daar-

Sluiten