Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

153

AGTTIENDE OVERDENKING.

De onschuld valschlijk beschuldigd.

Mauh. XXVI: 59-63. Mark. XIV: 55 -61.

XV] II. En de Overpriesters, eu de Ou.

Ovr.a- derliniien en de geheele eroote Raad zochten valfche getuituigenisfen tegen Jefus, op dat zij Hem dooden mogten, ende en vonden niets. En hoewel daar veele valfche getuigen toegekomen waren, zo vonden zrj [doch] niet. Maar ten laatften kwamen twee valfche getuigen en zeiden, deze heeft gezegd, Ik kan den Tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen. En de Hoogepriester opfiaande , zeide tot Hem,antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen ü? Doch Jefus zweeg ftiUe.

Ende Overpriesters, en de Ou

En de Overpriesters en d< geheele Raad zochten getuige nis tegen Jefus, om Hem I jdooden , ende en vonden niets jWant veele getuigden valfche lijk tegen Hem, en de getui genisfen waren niet eenparig En eenige opfiaande, getuig den valfchelijk tegen Hem: zeggende : Wij hebben Hen hooren zeggen, ik zal deezet Tempel, die met handen ge maakt is , afbreken , en ii drie dagen eenen anderen, zon der handen gemaakt, bouwen En ook alzo was haar getuh genis niet eenparig. En di Hoogepriester in 't middet opfiaande , vraagde Jefus • zeggende , en antwoordt gi rüets? wat getuigen deze te SenU? Maar Hij zweeg liille: ;n antwoordde niets.

Word

Sluiten