Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN P E T 3. U S. 245

,,us, dit'was zeker genoeg, om hem terftond JXL |é doen vatten, mishandelen, voor den Rich-DENK> ier te lleepen en ten dood te doemen, j Geen wonder, dat Petrus daar door met ontvetting werd aangegreepen! 1 Maar hoe was zijne houding, in deze benarjle onhandigheid? Billijk zou ik ver¬

dachten, dat hij,naar zijn veelbelovendeftout,moedigheid, zijn antwoord iiraks gereed zou e rebben gehad, en hier op hebben gezegd : I, ja dat ben ik, uwe boeiens, noch de dood 1, zelve, kunnen mij niet verfchrikken. Jefus .„ is mijn meester, uit zijnen mond vloeiden hei„ mellesfen, zijn weldaadig vermogen befteedL de Hij ten nutte van allerlei menfchen, ik L heb Hem beleden de Christus, de zoon des I , levenden Gods te zijn , en die belijdenis L legge ik nog voor u af, gij , die Hem in L kluisters hebt geflagen, hadt voor Hem moe]M ten nedervallen en aanbidden!" Zulk eene j taal had den moedigen Petrus gepast. Dan heJlaas! het tegendeel gebeurde. Hij, zeer ont"' fteld zijnde, wilde eene bedaarde houding aanI neemen. Hij zeide., Ik kenne Hem niet, ik weet \niet wat gij zegt, hij loochende het voor allen, in \ 't rozijn van zo veele getuigen, en zo verloaI tiende hij Hem, zijnen meester, zijnen wel• Q 3 doe-

Sluiten