Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.en de dood van Judas. 341

|Q hinderde, maakte hen gemelijk. Alles, wat qXXV. nier in den weg ftond, moest aan dit hun oog- DEN1£. ;nerk worden opgeofferd. ( Daarom wijzen zij den beangftigden Judas net verfmaading af, zeggende: wat gaat ons

f "dat] aan ? Gij moogt Hoezien. Zij too-

jien dat het verraad wel aangenaam, maar de jirerraader haatelijk bij hen was, en zo gaat het

jaoorgaands. • Zij bieden zijn prangend

hart geen troost, maar onttrekken zich ter zytier hulpe, en zeggen, dat bij zich zelve redMen moest.

j O onbarmhartig beftaan van menfchen, die i|voorgangers in 't goede, die onderrichters van (Jonwetendcn en troofters van bedroefden moerjften zijn! Doch wat kan men verwachten van ;thun, die 't onfchuldig bloed niet fpaaren, maar |het zelve ter voldoening van hun vuig eigenbe|lang trachten te vergieten ? | . Judas werd intusfehen zeer diep getroffen, ] door deze voor hem zo beroerende taal. Aan I God durfde hij niet denken, bij menfchen, zag 1 hij, zou hij als een uitvaagfel worden bc«:( fchouwd, den aanvoerderen van zijn kwaad zelve was hij walgelijk, en werd met verfmaading ij.van hun verftooten.

Bedremmèlende oogenblikken, waar in hij UI kiezen moest, waar hij zich henen zou begee. Y 3 ven!

Sluiten