Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(4)

mij, mijne Vrienden, zijt gij gelukkig ? — Misfchien denken veelen bij zig zeiven, —■ onder het ioouen van eene diepe zugt, — ach! ik gelukkig! — neen ik! — ik leef zo burgerlijk heen, — maar, niet gelukkig. — Niet gelukkig ? _ en ieder wenscht dit toch even zeer; de begeerten van elk redeulijk fchepfel, Eu ook alle zijne bemoeiiingen, (trekken zig immers altoos, onophoudelijk daar naar uit? —en wie bidt den Goedertieren God en Vader die in den Hemel is, niet hartlijk, eerbiedig, en vuuri», om zijnen gelukkigmaakenden zegen ? — Ja! — dat is betaamlijk, het is piigtmaatig; want zonder den zecen en bijftand van God kunnen wij menfehen niet gelukkig zijn: maar, wie weet niet, dat de goede God met ons menfehen handelt , zo als men met redenlijke fchepfets moet doen ? — God, als Scjiepper onzer NaUiure, heeft zelve ons de neiging tot geluk ingefchapen: hij heeft ons met verftand en reden begiftigd, waardoor wij in (kat zijn, het .goede van het kwaade te kunnen onderfcheiden, en om die middelen in het werk te ftellen en die wegen in te liaan , lan^s welken wij gelukkig kunnen worden. En daar te boven hebben wij nog de voortreflijkfte en duide'ijkfte aanwijzingen daartoe ontvangen, door onzen gezegenden Heer en Zaligmaaker IESüs christus, die men vinden kan in de H. Schriften van het N. Testament. Nu is het onze zaak, daarvan een behoorlijk gebruik te maakerk, indien wij anders, aan de ingefchapen begeerte naar geluk , willen voldoen: waaraan de Algocde God een bijzou-

Sluiten