Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 48 >

neemen, of, en in hoe verre, de aardfche fchatten gefchikt zijn, om den mensch gelukkig te kunnen maaken. Wie der üervelingen heeft daartoe ooit eene betere gelegen had gehad, dan de wijze Koning s a l om o n ? — Deze groote en fchatrijke Koning verhaalt van zig zeiven, dat bij 'er zig een gernimen tijd op toe gelegd hadde, om eens opzetlijk te beproeven, in hoe verre de zinnelijke vreugden en vermaaken dezes levens, welken de mensch zig, door zijne fchatten, bij mogelijkheid kan- bezorgen , gefchikt waren nm hem, hier op aarde, gelukkig te maaken. Hij liet hieromtrent niets ondoorzogt; alles wat hem flegts eenigermaate gefchikt fcheen te zijn, om vreugd en vermaak aantebrengen, en de maat van zijn geluk te kunnen vergrooten, joeg hij terftond,met den grootden 'jver, naa : en zijne magt en aanzien als Koning , gevoegd bij zijne onmeerbre fchatten, gaven hem de allerbeste gelegenheid, om alles wat hij wenschte, werklijk te kunnen volvoeren, indien zulks, op eenigerhande wijze, mogelijk ware; zo dat hij zig voorzeeker in de allerbeste omdandigheden bevondt om gemelde proef, op de aller volmaaktde wijze, te kunnen neemen. En ziet, in het tweede h^ofdftnk van zijn voortreflijk boek, de Prediker geheeten, betuigt hij rond uit, dat het waaragtig geluk niet is te vinden in die dingen , die voor het vleesch aanerf naam zijn. Doch bat ons dezen wiizer» Koning zélveri hooren fpreeken. „ Ik heb (dus fnr'eekr hhS in mijn harte naagefpeurd, om mijn vleesch

op

Sluiten