Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 5B )

mij zeiven, dat ik mij, hoewel in zwakheid, ribgthands opregc, beijverd heb, om hier -As een braaf mensch te leeven en te handelen ; ik heb mijnen God en weldoener nimmer vergeeten; ilc heb hem in ftilte, en in het verborgene aangeroepen, geloofd en gedankt; en daarbij heb ik niet verzuimd hem op de geZette tijden, ook opentlijk te looven en te aanbidden, aan die plaatfen, die daaitoe gefchikt en beltemd zijn. — Ik heb de pligten van mijn beroep getrouw en eerlijk zoeken te betragten, en alle mijne medemenfchen, in alle gevallen en omftandigheden, naar mijn beste weeten, zo zoeken te behandelen, gelijk ik , met reden, kon wenfchen dat mij gefch.ede. Het is waar, ik weet, belaas! maar al te wel, dat ik meermaalen geftruikeld, en werklijk gezondigd heb, en ach! dit is mij zeer leed; maar van de goddelijke bermhartigheid hoope en vertrouwe ik , dat m>j dit niet zal toegerekend worden; want God weet het, dat ik ftrnikelde en zondigde, meer tut menfchelijke zwakheid, uit ortbedagtzaamheid, en overijling, dan met opzet en uit boosaartigheid. —

Deze en dergelijke overdenkingen ftellen het hart des deugdzaamen, bij de overweging van de grooifb ojizeekcrheid' van wegens zijnen uitgang uit dit leven, gerust; het goede getuigenis van zijn nart doet hem bedaard Zeggen, ontbind mijne zul, ó God! wanneer het u-x welbehaagen is: en deze wel overdagte uitboezeming verfpreidt niet alleen eene cenoeghjke gerustheid, in het gemoed des braaven, maar verfchaft hem eèn onuitfpreeklijic

in-

Sluiten