Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 85)

opgezetten buik, zijn bij tusfchenpoozen of zeer hongerig, of willen geheel niet eeten; sij hebben pijn in den buik, een ftinkenden adem, zijn misfelijk, braaken, hoesten dikwijls en droog, pluizen veel in de neus, hunne oogappels zijn buiten gemeen wijd, de kleur van het aangezigt is meest bleek, en veelal zeer veranderlijk, zij hebben fomtijds in het geheel geen afgang, fomtijds ontlasten zij veele dunne en raauwe doffen.

-Wanneer 'er eenige van deeze tekenen bij elkander gevonden worden, befluit men daar uit, dat 'er wormen aanweezig zijn; het zekerde kenteken is echter, als men in den afgang de wormen zeiven ontdekt.

'Er zijn geene ziekten of toevallen, welken door dit' ongemak niet kunnen ontdaan, voornaamelijk duipen, vallende ziekte, en allerlei foort van zenuwziekten.

Men verlost hen van dit ongemak door de wormen te dooden, en dezelve benevens hunne flijmige nesten uit te drijven. Eene zeer groote menigte van middelen vindt men hier voor aangeprezen ; een eenvouwig en tevens beproefd geneesmiddel, is het welbekende wormkruid of zeverzaad, (Jemen fantonict) hier van neemt men één lood, doet 'er, bij, een half lood bloem van zwavel, en zo veel honig als genoeg is, om het te famen behoorlijk te vermengen; hier van geeft men het kind vier of vijfmaal daags een eierlepeltjen vol; de volgende dag doet men het kind inneemen, Khabarber met ho- * n'g Cs) en houdt men met dit worradrijvend

en

(V) Zie de eerste afdeeling, F 3

Sluiten