Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =3 3

zij bragten geen rijkdom of eer aan, maar welftand naar ligchaam of ziel.

Wij moeten nog iets aanmerken omtrent züne weêrgalooze vriendelijkheid, welke Hem ook dan niet verliet, wanneer Hij ernftig beftrafte. Denkt aan zijn gezegdé tot nik odemus : Zijt gijseri\Leeraar in Israël, en weet gif deeze dingen niet? (Joh. III: io/) tot lazarus zuster :• martha , martha ! gij bekommert u over veele dingen; (Luk. X: 41.) tot zijne leerlingen bij 't onweder op zee: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen"1. (Matth. VIII: a6.) tot petrus,toen hij op 't water begon te zinken: Gij kleingehovige! waarom hebt gij gewankeld? (Hoofdft. XIV: 31.) tot zijne jongeren, wanneer zij naar brood wierden gevraagd: wat overlegt gij bij u zelven, gij kleingeloovigen! dat gij geene brooden tnedegenomen hebt? (Hoofdft. XVI: 8.) tot jóünnes en jakobus: gij weet niet wat gij begeert; (Hoofdfi. XX: 22.) wederom tot zijne Apostelen, welken de daad dier gedienttige vrouw berispen wilden: waarom doet gij deeze vrouw moeite aan? (Hoofdfi. XXVI: 10. ^ ja tot judas zelven, toen hij zijn verraaderlijk voorneemen werkelijk uitvoerde Vriend! waartoe zijt gij hier/ (Hoofdft. XXVI. 50.) Om nu met te zeggen, hoe Hij petrus tegenging, als deeze, in den hof , *des Hoogepriesters knecht gewond had, en met welk een oog Hij hem aanzag op die binnenplaats, waar de leerling zijnen Meester driemaal verlochende. - - —

Zoude Hij ondertusfchen dat nut doen, het welk Hij kende en wilde; Hij moest dan B 4 ook

Sluiten