Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 89 >

vol aanwijzing en raad ; hoe hij prediken^ met den eenvouwigen man omgaan; hoe hij de jeugd onderwijzen moet; goede voorbedden, roerende opwekkingen, enz. Welk een weldaadig gefchenk zou zulk een boek voor menigen Leeraar van den Godsdienst ; en door hem voor zijne geheele gemeente zijn! Gij telt onder uwe Leden waardige Leeraars van onderfcheidene Christen genootfchappen; en daar te boven een aantal kundige en godvruchtige mannen ! edele menfchenvrienden ! gij kondt tot een grooten zegen zijn !

'En gij , Leeraars van den Godsdienst! (tegen de zulken , onder u , die hier van hunne in jedaad geringe befolding fpreeken , en die daar om meenen reeds genoeg te doen, wil ik geen enkel woord verliezen; maar u bedoel ik , die gaarne al uwe krachten infpant, en wien het weinige nut, dat gi] doet, de grootfte fmart is; gij allen , mijne lieve Broeders ! laat ons den moed niet verliezen ! Ik weet, wat een Leeraar waagt , wanneer hij het betreden pad verlaat , en meer, of op eene andere wijze, werken wil; al gefchiedt deeze afwijking van eene oude gewoonte ook nog zo voorzichtig, zij is niet zelden de moeder van veel tegenttand en veel verdriet. Ik weet wat al onheil, onverbeterlijke domheid en liefdelooze argwaan u kunnen berokkenen ; ik ken den fmaak van den onkundigen, en weet, welken Leeraar hii doorgaands aangaapt. Dan wat zult gij uwen en mijnen Heer and woorden, in den dag zijner openbaaring, wanneer uwe gemeente zijn dierbaar woord zoo weinig kent, en F 5 ê1!

Sluiten