Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =7 )

gen van groote en kleine dieverijen, valschheden , en bedrog van allerleijen aart, mijnëedigheid, een ontuchtig ie^en, het gebruiken van geweld, vergif, en moord, heeft men vooral aan de armoedige luiheid, toetekennen; het is grootlijks te vreezen , dat zulke misdaajen zullen vermeerderen, door het eensllags inhouden, van den gewoonen onderlland; wat zal men dan, vau de opvoeding van het volgend gedacht dier minvermogenden verwagten ? Ieder mensch is , indedaad , een bekwaam mensch , zo dra het 'er op aankomt, om een band te vorme:) tusfchen zijne hartstochten, en zijn pligt; zou het derhalven den luijaart, reeds lang aan onderlland gewo m, reeds verkeerendein den waan,dat de vermogenden, — zulks wel, aan hem en zijne ftandgenooten verfchuldigd zijn , wel moeijelijk vallen, verfchooning voor zijne enveldaaden te vinden, tot weik hij door het verlies der openbaare onderfteuning verleid wierd? Ten proeve van de wijze, op welke de zulken zouden kunnen redeneeren , zal ik hier over fchrijven de woorden, door den beroemden bb cc ar ia (*), eenen fchender der openbaare trouw en veiligheid in den mond gelegd ; woorden . die , hoe wel wat derk , echter na-iromftandigheid verzacht, hier zeer gepast fchijnen:

,, Welke zijn dan die wetten , die ,, men wil, dat ik eerbiedige, en die een ,, zoo groot verfchil tusfchen mij , en „ den rijken man maaken ? Hij weigert „ mij een geringe hulp, dié ik hem af-

„ vraag;

(*) Misdaad en nraffsn. bl. 6a.

Sluiten