Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 107 )

recht, en bevoorrechting, die niet op bijzondere verdienden (leunen.

a. Te recht komen hier het eerst in aanmerking , gilden, octroijen, privilegiën, monopoliën, en wat dies meêr zij.

Zonderlinge inval, indedaad, om's menfchen natuurlijke wijsheid, zo noodeloos te beperken , dat hij niet mogt werken, in dat handwerk , in die tak, van handel of konstwerk, waarmede hij zelfs oordeelde het best en rijkelijkst zijn onderhoud te zullen winnen ! De Wet is niets verfchuldigd aan den Burger dan vrijheid , eigendom , veiligheid. Toen echter de Wet gebruikt werd, om iemand te bepaalen in het vrij gebruik zijner vermogens , het vrij genot van zijnen vlijt ; —

zijne werkzaamheid aan banden te leggen

werd zij partijdig, onthield den eenen de gunst-, welke zij anderen verleende, en gaf geldgierigen gelegenheid , tot het opflaape. Jen van dikwerf, voor het algemeen , gevaarlijke fchatten, terwijl zij anderen ten prooie het aan honger en behoeften.

Vrugteloos zal men den minbegoeden tot vlijt vermaanen , zo lang hij zich aan alle kant m zijne keuze ziet beperkt. Wil men Hechts voldoen, aan de eerde beginfelen van recht, en het belang der Volken, dan zal men ieder hiaten volgen, het werk, waar toe hij door zijnen fmaak geroepen wordt, en dit zal zijn de zekerde waarborge , dat hij daar in fl ,'a-gen , en daar bij zijn redelijk beftaan vinden zal.

Vernietigd zij het zo ergerlijk, vlijf-doodend oijüerfcheid —-onrecht, om godsdienUige

ge-

Sluiten