Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C )

JELGERSMA, in zijne Verhandeling over da Naarftigheid, uitvoeriger gefproken heeft, zou het overbodig zijn, hier op ftil te traan.

Alleen kunnen wij niet nalaaten aantemerken, dat, daar hij, die niets meêr doet, dan 't geen wet en pligt van hem vorderen , eigenlijk geene vergelding verdient, boven de voordeden, die zijn werk aanbrengt; bijzondere belooning alleen moest toegewezen worden aan bijzondre vlijt , aan buitengewoonc poogingen, zo dat hij, die met een goed voorbeeld voorgaat, zich boven z'jns gelijken, door werkzaamheid verheft, alleen beloning verdient, met welke uittedcelen men vervolgens zeer voorzichtig te werk moet gaan ; op dat niet het volk in den waan geraake, als of ieder, die zijn pligt betrachte , aanfpraak mogt maaken op bijzondre vergelding.

Beloonirgen in geld, moeten fchaars uitgedeeld worden, wil zij anders, licht hebzucht en gierigheid baaren.

De beste belooning is eer, aanzien, algemeene achting, en daaruit van zelfs voortvloeiende gunfte, toegenegenheid van menfchen. De eer, de algemeene achting, heeft het vermoogen, om onze ziel tot een zekeren trap van verhevenheid optebeurcn, zo dat, al wat fchande aanbrengt, affchuuwlijk, al wat eere geeft, beminlijk en begeerlijk is, in onze oogen.

Om van de eer, in het tegenwoordig geval, alle nut te trekken, heeft men te zorgen , dat ieder vatbaar zij voor het gevoel van eere, als een belooning, die toegewezen

Sluiten